CMB BD

René

René
Top Ads
Top Ads
Top Ads

In 1995 haalde ik mijn eindexamen VWO aan Colegio Arubano. Het was een pretpakket. Geen wiskunde of economie en dan nog gooide ik er keihard met de pet naar. Het was een wonder dat ik was geslaagd. Ik wilde filmregisseur worden toen en dacht aan een aanmelding bij de Nederlandse Film & Televisie Academie. Probleem was echter dat ze elk jaar maar een dertigtal nieuwe studenten aannamen na een strenge selectie. Wie interesse had moest eigen werk sturen. Of een film of een scenario. Geen van beide had ik gedaan, maar als twintigjarige vol zelfoverschatting dacht ik wel wat te kunnen maken voor de volgende aanmeldingsronde in februari. Mijn vader greep in. Ik moest maar eens met René van Nie praten. Hij was filmmaker en kon mij helpen voorbereiden. Mijn pa, indertijd hoofdcommissaris van politie, had hem gesproken en de afspraak stond al voor de komende maandag op het terrasje van het Sonesta hotel waar gasten altijd zaten te wachten op de boot naar Sonesta Island. Tegenwoordig staat daar een Starbucks en is op zich niks veranderd daar, behalve de naam van het hotel. Ik was een beetje nerveus toen ik naar onze eerste afspraak ging. Ik kende de man niet en het idee dat deze afspraak voor mij was gemaakt voelde ongemakkelijk, evenals dat al was afgesproken dat ik hem meerdere keren zal spreken. Had Van Nie überhaupt wel behoefte om een jonge gast, vers van de middelbare school, te vertellen over zijn werk? Of was het voor Van Nie een kwestie van akkoord gaan of alsnog een paar openstaande boetes betalen? Wist ik veel.

 

De eerste ontmoeting met hem was dus ook onwennig. Van Nie wist eigenlijk ook niet wie ik was, wat hij met mij moest en of ik wel wat in mij mars had. Maar we gingen een gesprek aan en die middag en in de middagen die volgden was hij kritisch, maar ook bemoedigend en was zijn boodschap steevast: “Het gaat om het verhaal.” Hij gaf mij een manuscript mee van zijn filmadaptatie van Boelie van Leeuwen’s roman ‘Schilden van Leem’. “Lees het goed door”, drukte hij me op mijn hart. “Dan hebben we het er volgende week over.” Het was voor het eerst dat ik een scenario voor mijn neus had en in mijn zelfoverschatting dacht ik al lezend de structuur te kunnen vinden voor hoe je zoiets maakt. Niet veel later flanste ik zelf een kort scenario in elkaar over een groep jonge vrienden die een avond gingen stappen. De clou was dat een van hen zwanger was geworden en dat de vader een ‘hoben politico’ was, die natuurlijk de slechterik in het verhaal bleek te zijn. Cliché na tenenkrommend cliché volgden elkaar op, maar ik vond het verhaal en mezelf heel wat. Van Nie vond het wel OK en zei dat ik het maar naar het NFTA moest sturen. Dat was dan ook onze laatste meeting en we namen afscheid van elkaar. Ik werd een paar weken later uitgenodigd voor de selectieronde van de Filmacademie, maar redde de eindselectie niet. Ik begon later dat jaar in Groningen aan mij bachelor HEAO Communicatie. Dat bleek pas echt weggegooid tijd, geld en moeite.

 

Van Nie ontmoette ik pas zo’n 13 jaar later weer, na mijn studie en werkjaren in Nederland. Ik werkte voor de Amigoe en hij werd op gegeven moment onze vaste columnist. We hebben het misschien één keer gehad over 1995. Wanneer we elkaar spraken – hij zat, en terecht ook, veel liever als een koning in zijn hof op de voorpatio van Delifrance dan dat hij langskwam op kantoor -, dan hadden we het vooral over het nieuws en de politiek op het eiland. René zag er net zo nonchalant gehavend en rock en roll uit als toen ik hem voor het eerst ontmoette, maar nu was er vuur in zijn ogen en een steeds minder ingehouden woede in wat hij zei. René had niets meer te verliezen en had schijt aan de machthebbenden. ‘Mag Ik ff’ sloeg vaak de spijker snoeihard op de kop en was vaak ook heel mooi geschreven. Maar ook steeds vaker jaagde René mensen de kast op. Dat deed hij ook expres zij hij tegen mij. Hget eiland moest wakker worden geschud. Soms scheen de verbittering ook door in wat hij schreef. Soms ging hij – en dat moet in columns ook af en toe kunnen – over de schreef. Op gegeven moment was René geen columnist meer bij Amigoe en kreeg ik die plek toegewezen. Maar hij was de eerste. Zonder ‘Mag Ik ff’ was er nooit een ‘Den Cayente’ geweest. En hij bleef mij aanmoedigen, net als in 1995.

 

Tijdens de laatste editie van het Aruba International Film Festival werd een documentaire over zijn leven getoond. Daarin zag ik pas wat een prachtig leven René überhaupt had nog voordat hij een stap op deze rots had gezet. Altijd dwars en compromisloos, altijd groots. Hij was een echte kunstenaar. En hij hoefde er niet voor naar school. Hij deed het gewoon. Net als dat hij hier ook gewoon zijn ding deed achter zijn laptop. Zonder angst, zonder aanzien des persoons. Met liefde voor dit eiland dat zijn veilige thuishaven werd na al die grote, wilde omzwervingen.

 

René zou het veel fijner hebben gevonden als ik deze week had geschreven over dat gedoe met die terreinen in Malmok, of over de plannen die er blijkbaar waren om foute regimes VN-sancties te laten omzeilen via onze raffinaderij. Dat kan wel wachten tot volgende week. Want ik heb op sociale media, waar normaal gesproken mensen over elkaar heen vallen om condoleances te doen wanneer een bekend iemand komt te overlijden, helemaal niks gelezen over René. Typisch vind ik dat. Daarom, en omdat die man echt van Aruba hield en omdat ik hem altijd dankbaar zal zijn, schrijf ik dit. René, vriend, ouwe punk. Lieve, dwarse man. Jouw leven was een geschenk voor ons allemaal. Dankjewel voor alles. Wij gaan lekker door, in jouw traditie.

Gepubliceerd in Amigoe di Aruba op 27-05-2017

Top Ads
Top Ads
Top Ads

About The Author

Related posts

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.